In vitro maturatie (IVM) is een relatief nieuwe vorm van kunstmatige voortplantingstechniek die nog nauwelijks in Nederland is toegepast, maar waarmee in andere Westerse landen al meer ervaring is opgedaan. Bij deze methode worden onrijpe eicellen middels punctie uit kleine antrale follikels van de eierstokken verkregen en in het laboratorium tot rijping gebracht voordat zij worden bevrucht middels IVF of ICSI. De vrouw hoeft hierbij geen hormonale stimulatie van de ovaria te ondergaan, waardoor de behandeling patiëntvriendelijk, goedkoop en veilig kan zijn. Het risico van ovarieel hyperstimulatiesyndroom (OHSS) wordt geheel vermeden. IVM is daarmee met name geschikt voor patiënten die een toegenomen risico op OHSS hebben, zoals patiënten met het polycysteus ovarium syndroom (PCOS).
De efficiëntie van IVM was in de jaren '90 van de vorige eeuw erg laag, maar is in de laatste 5-10 jaar sterk verbeterd. In een overzicht van een aantal studies waren oöcytmaturatie, fertilisatie en embryodeling gemiddeld  65%, 70% en 80% respectievelijk (Picton 2002). De klinische uitkomsten van een aantal IVM-studies bij PCOS-patiënten laat een zwangerschapspercentage/embryotransfer zien van rond de 27%. Het percentage levendgeboortes per punctie nadert een gemiddelde van 20% (Jurema 2006). Naar schatting zijn tot op heden ruim 1100 kinderen geboren na IVM.
Op theoretische gronden en op grond van ervaring met diermodellen zou IVM geassocieerd kunnen worden met het optreden van afwijkingen bij het nageslacht door verstoring van genetic imprinting. Uit diermodellen is gebleken dat in vitro productie van embryo's geassocieerd is met het large offspring syndrome. Het is niet aannemelijk dat hierbij de IVM-procedure de belangrijkste of enige oorzakelijke factor is. Onder andere spelen ook een verlenging van de periode waarin gameten en embryo's in vitro worden gehouden en de samenstelling van het kweekmedium een rol (Holm 1996; Young 1998; van Wagtendonk-de Leeuw 2000). Het is niet bekend of verstoring van het proces van genetic imprinting in humane setting kan leiden tot het large offspring syndrome. In de gepubliceerde follow-up van ruim 300 IVM-kinderen zijn geen aanwijzingen te vinden in de richting van een toename van geboortegewichten, hogere incidentie van congenitale afwijkingen of ontwikkelingsstoornissen. Echter de gerapporteerde groepen zijn nog relatief klein en de duur van de follow-up beperkt tot hoogstens tweejarige leeftijd (Jurema 2006; Söderström-Anttila 2006; Buckett 2007).
Naar aanleiding van de beschikbare gegevens over IVM adviseert de beroepsgroep deze artificiële voortplantingstechniek in Nederland toe te staan, maar vooralsnog alleen in het kader van een goedgekeurd wetenschappelijk onderzoeksprotocol. In dit protocol behoort te zijn voorzien in een adequate follow-up van de kinderen geboren na IVM. Voorts wordt voor de follow-up gegevens aanbevolen aansluiting te zoeken bij een internationaal registratiesysteem, zodra dit voorhanden komt.
__________ Ik ben 32 jaar. Wij zijn nu ruim 7 jaar bezig...En helaas 8 mk's verder, ICSI 1 in Meppel, 3eitjes 1 top embryo maar progestan vergeten dus mk op de 7wk, ICSI 2 in Zwolle, 4 eitjes niet bevrucht. Begin gemaakt voor eiceldonatie bij St.Geertgen.
|