|
|
Laparoscopie |
|
Laparoscopie:
Onderzoek waarbij een arts de buikorganen inspecteert door middel van een kijker:
een dunne buis die, na algehele verdoving, door de buikhuid heen wordt ingebracht.
|
|
Hyperstimulatie van de eierstokken:
Laparoscopie wordt toegepast door gynaecologen (onderbuikslaparoscopie, voor de inwendige
geslachtsorganen) en internisten/chirurgen (bovenbuikslaparoscopie, vooral voor lever, galblaas of milt).
Het is mogelijk door de laparoscoop stukjes weefsel voor onderzoek uit te nemen, of ingrepen te verrichten
(bijv. sterilisatie bij de vrouw, operatie aan eileiders of eierstokken, verwijderen van een buitenbaarmoederlijke
zwangerschap). Van een laparoscopie blijven meestal slechts twee, nauwelijks zichtbare
littekentjes over (een van de laparoscoop en een van een hulpinstrument).
|
|
A. Laparoscoop B. Gas in de buik C. Eileider D. Eierstok E. Baarmoeder F. Endeldarm G. Hulpinstrument H. Blaas I . Schaambeen J . Vagina K. Dunne naald voor het inbrengen van opblaasgas. |
|
|
|
De werkwijze:
Bij een laparoscopie wordt de buikholte eerst een beetje opgeblazen, zodat de buikorganen goed
kunnen worden geïnspecteerd. Daarvoor wordt een dunne naald in de buurt van de navel of laag in de
buikholte ingebracht. Door deze naald wordt een gas (meestal koolzuurgas) ingeblazen, waardoor er
ruimte komt tussen de buikwand en de organen. Vervolgens wordt de laparoscoop via een kleine snede
net onder de navel in de buikholte gebracht. Via een kleine hulpsnede laag in de buikholte, op of onder
de schaamhaargrens, wordt meestal een hulpinstrument ingebracht, met behulp waarmee verschillende ingrepen
in het blikveld van de laparoscoop kunnen worden verricht. Wanneer het onderzoek afgelopen is, laat men
het gas weer naar buiten stromen. Afgebeeld is een onderbuikslaparoscopie.
|
| © Winkler Prins Medische Encyclopedie 2001/2002. |